donderdag 23 januari 2020
Versie 3.00.0
  Uw dagelijkse dosis Domstadnieuws!


Aanmelden Mijn AOU

Van Muziekcentrum tot winkelgebouw en Muziekpaleis
Webcam Overzicht

Politiekpagina
Nieuwspagina
Meer nieuwspagina
Regio nieuwspagina
Opiniepagina
Variapagina


Stad wordt steeds fraaier: Molen De Kranenburg
Gepubliceerd: 2008-10-08
door: Stadsredactie WdH





Jos Peeters, bekend van het opknappen van veel geschilderde muurreclames in de stad, heeft een druk jaar. Na een grote muurschildering die hij deze zomer aanbracht op een pand aan de Daalsedijk, met daarop de plattegrond van een oude route, is hij nu bezig aan de Kozakkenweg.

Deze week rondt hij een muurschildering af met daarop een schildering van molen Kranenburg die tot 1954 op die plek stond. De molen werd gebouwd in 1797 en was een zogenaamde Stellingmolen en had bij de molen een zaagschuur. Onderstaand de geschiedenis van de molen.


Geschiedenis molen De Kranenburg. Bron: www.molendatabase.org.

Molen De Kranenburg stond ten zuidoosten van de stad aan de zuidoever van de Kromme Rijn. Hij werd in 1797 door B. Pleijster gebouwd en was ten slotte eigendom van de gemeente Utrecht. Reeds in 1917 werd de molen stilgezet en in 1940 verkeerde hij in vervallen staat, hetgeen steeds erger werd. Door de oorlogsomstandigheden kon een restauratieplan niet tot uitvoer komen.

Op 29 maart 1954 werd de ruïne omvergetrokken en werd nabij het voormalige molenerf een nieuw aangelegde weg, de Kranenburgerweg, die naar de voormalige molen werd vernoemd.In april van genoemd jaar kregen Barend Pleyster en Arie Verheem toestemming een ordinaire zaagmolen te zetten op hun eigen terrein, zijnde een deel van de hofstede Kranenburg. Eigenaar van deze boerderij was Arie Verheem. In diens boedelbeschrijving, die in 1806 was opgesteld, werd geen melding van de molen gemaakt. Hij was dus slechts deelhebber in het bedrijf door de beschikbaarstelling van de grond.

Tot staving van deze zienswijze kan nog dienen, dat op het einde van 1797 toestemming werd gegeven om een sloot te graven door het zandpad langs de Kromme Rijn op voorwaarde dat de aanvragers een stevige brug met leuning moesten maken en onderhouden, hetzij de eigenaar van de molen of die van het land.
In 1822 werd door de gecommitteerden ter directie van stadsfinanciën een voorstel ingediend om een heffing voor houtvlotten varende in de Kromme Rijn vast te stellen. Dit was een aanvulling op een regeling van 1815,toen de toestand van het jaagpad zó slecht was, dat men vreesde voor een algehele stremming van de doorvaart. Het gedeelte van het jaagpad tussen de stad en de Gijsbert Philipsbrug moest ten spoedigste hersteld worden. Om de onkosten goed te maken, zou van iedere veerschuit tussen Utrecht en Wijk bij Duurstede per keer varen twee stuivers geheven worden. In 1822 werd nu voorgesteld voor elke balk vijf cent te vragen. Voor elke drie balken tot een eenheid verbonden eveneens een stuiver per balk en voor elke balk meer een halve stuiver.

Barend Pleyster was reeds in 1812 in moeilijkheden geraakt. De molen werd bij executie door de rechtbank verkocht. Eigenaar werd Mr. Louis Robert. Uit de omschrijving blijkt, dat het een achtkante molen was met een drietal sleden. In 1843 verkocht Robert zijn Utrechtse en Westzaanse zaagbedrijven aan zijn zoons voor f 66.300,-. In 1853 was Odilius alleen overgebleven. Na zijn overlijden werd Kranenburg in 1876 door de erfgenamen verkocht aan Gerardus Johannes Mol voor f 20.000,-. Tot de koop behoorden het herenhuis en de houtloodsen. Na het overlijden van Mol kwamen in 1922 alle goederen uit de huwelijksgemeenschap aan zijn weduwe. Nadat ook deze in 1927 te Amsterdam was overleden, werd haar nalatenschap in 1930 bij onderling overleg geregeld.

De beide zoons, Franciscus en Georgius,verkregen de vaste goederen, zowel die te Utrecht als in 's-Hertogenbosch. Enige maanden later verklaarden zij dat in hun in 1920 opgerichte vennootschap van koophandel ook de molen Kranenburg was opgenomen. De molen stond reeds sedert 1907 stil en verkeerde in 1925 in een zeer vervallen toestand. In 1941 overleed te Rijsenburg Franciscus Xaverius Mol, zodat Georgius Adrianus Maria Mol de enige eigenaar was geworden. Hij verkocht in 1943 de molen en het bijbehorende terrein aan de gemeente Utrecht voor f 19.750,-.

De koop was een gevolg van het gemeenteraadsbesluit van april 1943, dat in het belang van de volkshuisvesting was genomen. Het ging hierbij om de uitvoering van het uitbreidingsplan 'Krommerijn'. Reeds in oktober 1931 werd door de Monumentencommissie de aandacht van B. en W. van Utrecht gevestigd op de enige oude windmolen die de gemeente nog rijk was. Door het bovenvermelde uitbreidingsplan zou een ongezochte gelegenheid ontstaan voor het behoud van de molen.

Eveneens werd door deze commissie de aandacht gevestigd op de circulaire van de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen van 29 juli 1930, waarin verwezen werd naar een schrijven van 1924. Hierin werd aangedrongen op medewerking van de gemeentebesturen tot het behoud van windmolens. Als gevolg hiervan gaf de directeur van gemeentewerken aan het college van B. en W. in overweging om de eigenaar van de molen op de bouwvallige toestand te wijzen en hem aan te zeggen, dat hij maatregelen moest nemen,opdat de molen niet zou instorten.

Voorts werd aangeraden de verenigingen Heemschut, De Hollandsche Molen en Oud-Utrecht van de toestand op de hoogte te brengen, teneinde,indien de eigenaar geen maatregelen kon of wilde nemen, een restauratie te helpen bevorderen. Door de dienst van Gemeentewerken werd, in overleg met de deskundige van de Vereniging de Hollandsche Molen, in 1944 een restauratieplan voor een volledig herstel opgemaakt. De kosten hiervan zouden f 30.000,- bedragen. De molen had na stopzetting van het bedrijf nog lange tijd dienst gedaan voor de berging van motorjachten en kano's. Op den duur was hij ook hiervoor onbruikbaar geworden door lekkages en totaal onbruikbaar door de houtroof in de winter van 1944 -1945.

Men verkeerde in 1947 nog in de mening dat er een restauratie zou plaatshebben. Hoe geheel anders is echter de afloop geweest. De verenigingen waarop in 1931 een beroep was gedaan, hebben in de periode 1947-1952 niets van zich laten horen. Hieraan zal het besef van de moeilijke financiële positie van het land niet vreemd zijn geweest. Toen in 1952 de verdere afwerking van het uitbreidingsplan Krommerijn in de raad werd behandeld, stelde een der sprekers voor om de molen als ruïne te laten staan. Een andere spreker was hiertegen omdat dit een aanklacht tegen het gemeentebestuur zou symboliseren. De molen werd begin april 1954 afgebroken. Wederom was een fraai bouwwerk uit Utrechts verleden verdwenen. Opnieuw was de stad aan schoonheid armer geworden.




© 2007-2012 AllesoverUtrecht