Herman Vuijsje schreef in 1977 over de ‘de nieuwe vrijgestelden, de opkomst van het spijkerpakkenproletariaat’. Dertig jaar later schreef Arnold Heertje, met het oog op het ledenkader van de PvdA, over de opkomst van ‘de klasse van beheerders’.
De excessieve salarissen die de managers in de thuiszorg, maar ook die van woningcorporaties, ziekenhuizen en welzijnsinstellingen zichzelf en hun hoge functionarissen toekennen, roept de vraag op wat we in die dertig jaar eigenlijk opgeschoten zijn met de professionalisering van het beheer van de zorg, het welzijn en de sociale woningbouw.
In de gemeente Langedijk (10.000 inwoners) was de gezins- en bejaardenzorg in 1968 perfect geregeld. Bij het Groene Kruis werkten twee wijkverpleegkundigen, die een oogje in het zeil hielden. De hulp werd geboden door moeders van wie de kinderen al wat ouder waren. Die deden dat graag en ze kregen er een aardige vergoeding voor. De belangstelling om dat werk te doen, was groot. De coördinatie gebeurde door de gemeentesecretaris. Die deed dat in zijn vrije tijd.
Met de komst van de eerste beroepskracht zette meteen de achteruitgang in. De gemeentesecretaris werd eruit gewerkt, de wijkverpleegkundige mocht zich er niet meer mee bemoeien. De moeders waren niet goed genoeg, want ze waren niet opgeleid. Het gevolg: de kosten gingen aanzienlijk omhoog en er ontstond een lange wachtlijst, zodat er een aparte beroepskracht moest worden aangenomen om de urgentie van de aanvraag te beoordelen. Dat wat de gezins- en bejaardenzorg betreft.
De woningbouwvereniging Langedijk had een bestuur van huurders-vrijwilligers. Er was niet één beroepskracht. Ik betaalde een kwart van mijn inkomen aan de huur van een nieuwe rijtjeswoning. Doordat woningbouwverenigingen gingen fuseren, ontstonden grote corporaties. De directeuren van Mitros, Portaal en Bo-Ex zitten allemaal ruimschoots boven de Balkenende-norm. Bovendien werken bij die grote corporaties onderdirecteuren en beleidsmedewerkers die ook een fortuin verdienen. Die doen in feite het werk dat vroeger voor niets en op een uitstekende manier gedaan werd door de huurders zelf. Dat gebeurde destijds dus ook nog heel democratisch. De huur van de tegenwoordige nieuwe rijtjeswoning is een derde tot de helft van het minimuminkomen.
Als je het mij vraagt, zijn we er helemaal niets mee opgeschoten, met al die professionals en aanstuurders. Integendeel: we moeten straks doorwerken tot we 67 jaar zijn om de stijgende kosten op te brengen en de zorg voor onze ouders moeten we zelf doen. Daar is namelijk geen geld voor: dat geld gaat op aan de excessieve salarissen van de directeuren en hun beleidsfunctionarissen.
Kees van Oosten