Crince le Roy, bij leven hoogleraar bestuursrecht en lid van de Raad van State, kwam in 1969 met zijn befaamde verhaal over ‘de vierde macht’. Dat verhaal hield kort gezegd in dat het ambtenarenapparaat aan de touwtjes trekt en dat de macht van wethouders, ministers en volksvertegenwoordigers symbolisch is.
Om het wat oneerbiedig te zeggen: wethouders en burgemeesters mogen linten knippen en spiekbriefjes voorlezen van hun hoge ambtelijke adviseurs. De gemeenteraadsvergadering, waar leden van het college ‘hun’ beleid komen uitleggen, is dus een en al theater. Een marionettentheater om precies te zijn.
Volgens de drie-machtenleer van Montesquieu (de ‘trias politica’) wordt de dienst in de staat uitgemaakt door drie machten die elkaar min of meer in evenwicht houden: de wetgevende macht, de uitvoerende macht en de rechtsprekende macht. De wetgevende macht is het parlement of de gemeenteraad, die wetten en verordeningen vaststelt. De uitvoerende macht wordt gevormd door ministers of wethouders.
De drie-machtenleer van Montesquieu (1689-1755) stamt uit de tijd dat de overheid nog niet veel voorstelde. Daardoor konden ministers en wethouders hun portefeuille goed overzien en een sterk persoonlijk gezag laten gelden, nog niet gehinderd door duizenden wetten en verordeningen. Inmiddels worden een minister en een wethouder bijgestaan door een groot leger ambtenaren, die goed thuis zijn in wetten en verordeningen, terwijl degene die formeel het bewind voert dat meestal niet is.
Sinds Montesquieu is er dus nogal wat veranderd. Alleen de drie-machtenleer is niet veranderd. Vandaar dat Crince le Roy bedacht dat er in de moderne staat eigenlijk een vierde macht bij gekomen is: het ambtenarenapparaat met al zijn specialisten. Op zo'n enorm ambtenarenapparaat is ons staatsrecht, dat nog steeds min of meer uitgaat van de drie-machtenleer uit 1750, duidelijk niet berekend. Waar ons staatsrecht ook niet op berekend is, is de vervlechting van het ambtenarenapparaat met de bouw- en zakenwereld.
Elke projectontwikkelaar weet dat hij, als hij flink wil verdienen, bij Stadsontwikkeling moet wezen of bij de bestuursadviseur van de burgemeester of de wethouder. Als hij wat hoge ambtenaren op zijn hand heeft, dan zorgen die er wel voor dat de wethouder of de burgemeester zijn handtekening zet. Belangrijke ambtenaren, projectontwikkelaars en grote ondernemers onderhouden met elkaar een hecht netwerk. Je hoeft maar te kijken welke kant het geld van de gemeente op rolt om een indruk te krijgen van deze ‘vriendenrepubliek’.
Een sterk bewijs voor het bestaan van de vriendenrepubliek in Utrecht is nog steeds de 45 euro erfpacht die de Jaarbeurs jaarlijks (tot 2070) betaalt aan erfpacht voor 77.955 vierkante meter (0,06 eurocent per m2). Hoe machtig die vriendenrepubliek is, blijkt uit het feit dat het college vierkant weigert uit te zoeken onder welke verdachte omstandigheden dat erfpachtcontract in 1981 kon worden afgesloten en dat het weigert het contract te ontbinden. Een ander bewijs voor de vriendenrepubliek is dat Hoog Catharijne twee maal zo groot wordt en het Leidsche Rijn Centrum erbij krijgt, terwijl de bestaande winkelstand daar kapot aan gaat. En een bewijs is dat de fly-over bij het 24 Oktoberplein eenvoudig aan de Jaarbeurs en Hoog Catharijne is beloofd.
Dat die vriendenrepubliek bestaat en dat ons belastinggeld bij projectontwikkelaars, woningcorporaties, de Jaarbeurs en Hoog Catharijne terechtkomt, komt doordat de macht van hoge ambtenaren en hun relaties met de bouw- en zakenwereld voor het publiek verborgen blijven. Zolang het publiek het sprookje gelooft dat de burgemeester en de wethouders de dienst uitmaken en dat je dus geen kritiek mag hebben op die arme hoge ambtenaren, zolang kunnen die samen met hun zakenvrienden stiekem macht uitoefenen.
Kees van Oosten