Bij mij op de hoek zit een café. Handig, zie ik u denken, dan hoef je nooit ver te lopen voor een drankje. En jezelf daarna naar huis slepen is ook een makkie. Inderdaad. Maar in de vijftien maanden dat ik hier nu al woon ben ik er nog niet één keer binnengestapt. Nog niet eens op de drempel gestaan. Het is namelijk -laat ik me voorzichtig uitdrukken- niet echt een stijlvolle tent.
Ons honk is een echte volkskroeg. Noem een cliché en je vindt hem daar. Kanten gordijntjes halverwege het raam. Een televisie standaard afgestemd op SBS. Neonverlichting. Gokkasten. En nu is het café uiteraard al helemaal versierd in kerstsfeer, compleet met nepsneeuw op de ramen en kunstboompjes op de bar. De tafels en stoelen staan er puur als decoratie, want als de stamgasten niet buiten staan te paffen zitten ze aan de bar op ouderwetse, bordeauxrode krukken waar mijn opa een moord voor zou doen.
Vanuit mijn raam is het goed gluren naar deze stamgasten. Hooggeblondeerde dames trippelen voorbij in strakke leggings. Besnorde, stoere mannen maken hun entree in snelle en/of grote auto’s, het glanzende overhemd open tot op navelhoogte. Maar het mooiste zijn de praatjes. Praatjes tegen elkaar, praatjes tegen de vrouwtjes en praatjes tegen iedereen die maar voorbijkomt. Want allround, dat zijn ze. Ik heb inmiddels geleerd gezellig mee te doen in het voorbijgaan en de praatjes vooral niet te negeren, anders word je tot aan het Ledig Erf achtervolgd door ‘Niet zo sjaggie juffie!’ want dat praten gaat uiteraard op een aangenaam volume. Vooral op de vroege zondagochtend, niet bepaald het tijdstip waarop ik mijn café zou opengooien.
Dat is nog zoiets moois. Het is altijd druk in Ons honk, maar vaste openingstijden, ho maar. Het is altijd spannend wanneer het café opengaat, òf het opengaat. Misschien willen ze met dit geheime deurbeleid mensen als ik op gepaste afstand houden. Prachtig. Wie gaat er mee?
An
verZINsels.Com