zaterdag 16 februari 2019
Versie 3.00.0
  Dé click met Utrecht!


Nieuws per e-mail?
Aanmelden Mijn AOU
Hier gratis aanmelden

Politiekpagina
Nieuwspagina
Meer nieuwspagina
Regio nieuwspagina
Variapagina




Portierhumor
Column
Gepubliceerd: 2009-12-09
door: Quentin van Dinteren








Een week of wat geleden stond ik aan de werf van de Oudegracht te kletsen met een van de portiers van de werfkroegen. Ik houd enorm van bizarre verhalen en merk dat portiers – mits ze zin hebben om te praten – altijd de vreemdste anekdotes hebben over de vreemdste situaties. Er kan in mijn optiek weinig opboksen tegen een verhaal over een student die een kat onder zijn shirt de kroeg in probeert te smokkelen of over twee heren die – al zittend in een winkelwagentje – de gracht ingeduwd worden door een lachende derde.

Terwijl ik anekdotes aan het opnemen was over het reilen en zeilen van de portier, stonden er aan de overkant van de gracht op straatniveau twee giechelende heren. De portier, met de ogen van een nachthavik waar het rare knulletjes aangaat, viel gelijk stil en sloeg de twee heren zorgvuldig gade. Benieuwd naar wat er komen ging, richtte ook ik mijn blikken op de heren aan de overzijde van de gracht.

Giebelend als kleine meisjes, gingen de twee baldadige doerakjes met zijn tweeën op een mooie damesfiets af, die tegen het hekwerk op straatniveau van de gracht stond. Eenieder die wel eens in een grachtenstad op pad is geweest, weet wat er komen gaat… Juist ja: de twee heertjes gingen die fiets wel eens even in de gracht denderen en piesten nu al bijna in hun dure merkbroekjes van het lachen.

Ik wilde een snedige opmerking maken tegen de portier over de twee knulletjes, maar hij onderbrak mij en zei: “moet je kijken, lachen man!”. Heel even dacht ik dat hij het leuk had gevonden de fiets naar beneden te zien kletteren, maar hij doelde op iets heel anders. Met betere ogen dan die van mij, had hij al twee agenten aan zien lopen en het fietswerpende rapalje had zelf nog niets in de gaten; zij waren immers druk met de fiets optillen.

Het gegiebel en gegniffel van de schlemieltjes was gauw afgelopen toen de heren agenten iets naar hen riepen. Hoewel ik het niet goed hoorde wat, kan ik enkel aannemen dat ze “wat zijn wij aan het doen?” zeiden, de snorren trillend van verontwaardiging. De spanning en sensatie waren toen wel voorbij, daar het viertal nu met elkaar ging praten, deels buiten mijn zicht. De portier lachte gemoedelijk, zoals iemand lacht die ervan houdt als geteisem op zijn nummer wordt gezet. En dat is natuurlijk één van de geneugten die ik met hem deel.

Quentin van Dinteren


Stuur dit bericht door!


© 2007-2012 AllesoverUtrecht