dinsdag 17 september 2019
Versie 3.00.0
  Dé click met Utrecht!


Aanmelden Mijn AOU

Van Muziekcentrum tot winkelgebouw en Muziekpaleis
Webcam Overzicht

Politiekpagina
Nieuwspagina
Meer nieuwspagina
Regio nieuwspagina
Opiniepagina
Variapagina



Een Nieuwe Utrechtse Kwestie: De Belle van Zuylen
Lezersbijdrage Paul Kalter
Gepubliceerd: 2009-01-25
door: Lezers






Paul Kalter is beleidsonderzoeker en schreef in het verleden onder meer voor het Utrechts Nieuwsblad over kwesties als de hov-lijn door de binnenstad, over ‘bestuurlijke belangen’ en deed een poging de identiteit van deze stad als ‘de maat van Utrecht’ te definiëren. In dit artikel zijn visie op de mogelijke bouw van de Belle van Zuylen.

Komt de Belle van Zuylentoren er nu, of niet. Het is een vraag die de komende jaren één van de hete hangijzers van de Utrechtse politiek zal zijn, hoewel niet iedere politicus dat zo ziet. Na een lang stilzwijgen wordt er zelfs over gedebatteerd en dat mag ook wel voor dit gebouw van 262 meter hoog. De ontwerpers meten zich dan ook met steden als Parijs en New York, er wordt met een schuin oog naar de Eiffeltoren gekeken, 300 meter, en naar het Empire State Building van 381 meter hoog. En dat in een stad die maar geen grote stad wil worden en aan de rand van één van de belangrijkste natuurgebieden van het land, het Groen Hart.

Een gebouw met deze maat heeft inderdaad iets uit te leggen, er hangt dan ook een levensgroot ”waarom” rond dit projekt. Als men te rade gaat bij de gemeentelijk informatiesite komt men niet veel verder dan verhullende reclametaal. Waarom in Utrecht: ”De Belle van Zuylen is in vele opzichten vernieuwend en sluit daardoor naadloos aan bij Utrecht als vernieuwende, talentvolle stad”. En waarom dan zo hoog? ”Om het concept van de Belle van Zuylen te kunnen realiseren is er voldoende massa nodig in programma”. Oftewel: om de Belle van Zuylen te kunnen bouwen moeten we de Belle van Zuylen bouwen.

Maar misschien heeft een gebouw met deze maat, bedoeld als landmark en icoon, helemaal geen rechtvaardiging nodig. Is een icoon niet het antwoord op zichzelf, en overstijgt het juist niet het alledaagse, het gaat immers om ”bigger than life”. Het is een vraag die ook bij architecten leeft zoals bij criticus Hans Ibelings die twee jaar geleden in het vakblad BNABLAD schreef: ”Wie de vraag stelt naar het waarom van iconische archtectuur krijgt geen echt antwoord. Waarom? Daarom. Omdat er behoefte aan is, omdat het kan. Zomaar.

Een icoon in de hedendaagse betekenis verwijst naar niks, brengt niets tot uitdrukking, heeft geen diepere gronden, geen achterliggende reden behalve de wens om op te vallen”. Het gaat niet om het gebouw, het gaat om het gebaar. En dat dient te imponeren, extravert te zijn, bijna per definitie mateloos en ambivalent.

Het waarom van de Belle van Zuylen wordt zo de vraag naar het waarom van een icoon in Utrecht. En daar is een verrassend helder antwoord op. In de Hoogbouwvisie uit 2005 gaat men in op de vraag waarom Utrecht een zeer hoog gebouw zou willen neerzetten. ”De reden voor Utrecht om zulke gebouwen te willen, is gelegen in het feit dat de stad ambieert zich binnen de Deltametropool te blijven profileren als medespeler. Daarvoor zijn enkele statements nodig die de schaal van de stad overschrijden en Utrecht als zodanig op de kaart zetten”.

Dit is een sleuteltekst die veel verklaart. Utrecht wil temidden van Amsterdam, Rotterdam en Den Haag - waarmee het samen de Deltametropool vormt - een steviger positie innemen. Architectuur en hoogbouw worden instrumenteel ingezet om dat doel te bereiken, het zijn wapens in de stedenstrijd. Die gedachte wordt nog extra toegelicht door keurige grafiekjes met de hoogste gebouwen van de vier steden, Utrecht staat nog op een schamele vierde plaats. Met de Belle van Zuylen wil men dat dus in een klap veranderen, het statement zal aankomen en moeilijk te overtreffen zijn. Dat de schaal van de stad wordt overschreden, het zij zo, de mateloosheid van het projekt is ingebakken. Het is power-architectuur en past in de kritiek van Ibelings dat een icoon slechts wil opvallen.

Dat maakt dat er nog een diepere logica in de plannen voor de toren zit: het symboliseert de worsteling van Utrecht met haar eigen maat. Utrecht is een middelgrote stad die daar echter geen vrede mee heeft, vergelijkbare steden als Groningen en Den Bosch hebben minder moeite met hun grootte. Utrecht laat zich daarom beter typeren als een kleine grote stad, of, als een grote kleine stad omdat dit de voortdurend aanwezige frictie tussen klein en groot illustreert. Die frictie zit diep verankerd in de geschiedenis van de stad maar kreeg de laatste decennia een nieuwe impuls vanwege Utrechts positie bij de vier grote steden. Utrecht bezit achter Amsterdam, Rotterdam en Den Haag de staartpositie, de meest kwetsbare plek omdat er nu eenmaal maar vier grote steden bestaan. En er waren andere kandidaten voor deze positie die status geeft en financiele extra’s. Almere deed in de jaren negentig een serieuze poging de Domstad van plek vier te verdrijven en dat moest hoe dan ook voorkomen worden.

Groot worden en groot blijven was daarom voor Utrecht meer dan alleen maar streefbeleid, het was existentiele noodzaak. De stad moest groeien, die obsessie voor groei blijkt voortdurend, bijvoorbeeld uit de woorden van oudburgermeester Opstelten in een boekje over Utrecht uit 1997. ”Utrecht is gegroeid” is de eerste regel van zijn bijdrage en deze eindigt met ”Utrecht zal blijven groeien”. Juist in dat jaar lagen er dan ook veel plannen op tafel die aan die ambitie moesten voldoen. Er was, en is nog steeds, het Utrecht Centrum Project, bedoeld om winkelcentrum Hoog Catharijne ingrijpend te verbouwen. Er lag een ontwerp voor hoogwaardig openbaar vervoer, dat zou voor een ingrijpend betonnen lint door de stad zorgen. En in 1997 begon men tevens met de bouw van het megaproject Leidsche Rijn, een aparte satellietstad van 30.000 woningen met ongeveer 80.000 bewoners.

Deze plannen gaven spanning met de bestaande stad. De identiteit van Utrecht, die vreemde mix van sfeer en schaal, van ligging en bebouwing, van mensen en geschiedenis, kan men definieren als de maat van Utrecht. Die maat vraagt evenwichtskunst tussen het bestaande en het nieuwe, iets dat natuurlijk ook wel door de gemeente zelf werd onderkend. In een discussiestuk uit 1997 met de titel “Utrecht 2030” werd het als volgt geformuleerd: “Utrecht staat nu aan de vooravond van een enorme opgave: het ontwikkelen van een aantal grootschalige ruimtelijk-functionele projecten en het inpassen hiervan in een relatief kleinschalige context. Ütrecht heeft namelijk kwaliteiten die met name aan middelgrote steden worden toebedacht: kleinschalig, menselijke maat en leefbaar. Het is een unieke uitdaging om de grootschalige en kleinschalige milieus zo af te stemmen dat ze voor elkaar een meerwaarde opleveren”. En de centrale vraag van dat moment was dan ook: “Hoe kan Utrecht zo goed mogelijk groter worden?”

Dat zo goed mogelijk groter worden bleek echter een struikelblok voor Utrecht, met name de plannen rond het UCP en de busbaan konden maar moeilijk worden ingepast in de stad. De bestuurders wilden wel, te graag zelfs, maar de plannen bleven schuren en bewonersgeluiden werden kundig genegeerd. Het is dan ook geen toeval dat in 1997, hetzelfde jaar dat Utrecht zich over haar toekomst boog, Leefbaar Utrecht werd opgericht. Hoewel kritisch ontvangen kreeg de partij in 1998 bij de verkiezingen direkt 9 zetels, twee jaar later bij de vervroegde verkiezingen werd ze zelfs met 14 zetels de grootste fractie van de raad. De zittende politiek had het niet aan zien komen en was totaal verrast.

Het past allemaal in het scenario van wat men een Utrechtse kwestie kan noemen, een patroon dat steeds terugkeert bij de aanpak van grote projekten en dat tot veel chagrijn in de stad leidt en een lange nasleep heeft. Een Utrechtse kwestie heeft vier kenmerken. Ten eerste is er de ambitie om een megaproject te realiseren, bedoeld om de stad een extra groei-impuls te geven. Een volgend aspect is dat men in zee gaat met een externe marktpartij omdat het extra investeringen vraagt in geld en denkkracht, deze ontwikkelaar heeft echter wel het initiatief en bepaalt het plan op hoofdlijnen. Een derde kenmerk is de positie van het lokaal bestuur. Men identificeert zich met het plan, en is daardoor eerder volgend dan dat men de regie in handen heeft. Tenslotte zijn er de bewoners die de planontwikkeling op afstand volgen maar ook op afstand worden gehouden. Hun specifieke inbreng is daardoor miniem, bij inspraakrondes heeft het plan reeds haar uiteindelijke vorm, hun invloed blijft beperkt tot het stemhokje.

Het moge duidelijk zijn, in deze benadering zitten weeffouten die maken dat een project tot een kwestie wordt. In het uiteindelijke plan krijgt de maat van de stad te weinig plaats, het project wringt daardoor en blijft nazeuren. Het navrante is nu dat juist de bevolking een plan voor dit soort missers zou kunnen behoeden terwijl hun invloed in de praktijk miniem is. Hoog Catharijne is hiervan weer het schoolvoorbeeld. Bij de inspraak rond de plannen in de jaren zestig was een van de bezwaren dat er twee karakteristieke singels werden gedempt en daarmee een oude structuur van de stad verdween. Helaas, vond het stadsbestuur, groei vraagt nu eenmaal offers, en het dempen ging door. Dertig jaar later was echter de gedachte dat singels en grachten toch eigenlijk wel karakteristiek zijn voor Utrecht, men zag het dempen als een historische blunder die weer ongedaan gemaakt moest worden. In 1999 werd dan ook met trots en europees gesubsidieerd de Weerdsingel weer bewaterd en in het nieuwe masterplan stroomt er ook weer water door de Catharijnesingel.

Wordt de Belle van Zuylentoren tot een nieuwe Utrechtse kwestie? Het heeft er alle schijn van, het gaat om een megaproject dat de wereld verbaasd moet doen staan over Utrecht, men denkt zo voor eeuwig het kleinsteedse te overstijgen. Het plan is dan ook te groot voor de stad om zelf te ontwikkelen, een externe partij, ontwikkelaar Burgfonds, heeft het initiatief. Tot dusver volgt het stadsbestuur enthousiast het plan en werkt het nu aan een intentie-overeenkomst met Burgfonds waarna het plan de facto op de rails staat. En de bevolking zelf? Die staat toch aan de kant, een voorstel voor een referendum haalde het niet. Bij een onderzoek van het AD/Utrechts Nieuwsblad van twee jaar geleden bleek dat maar 17 procent van de bevolking zonder meer voor de Belle van Zuylentoren is, terwijl 56 procent hoe dan ook niet hoger dan de Dom wil gaan. Ook dit maakt dat het scenario voor een nieuwe Utrechtse kwestie voorlopig goed wordt gevolgd.


Stuur dit bericht door!


© 2007-2012 AllesoverUtrecht