
Klik hier voor een vergrotingIn de verte zie je de lichten van een grote stad. Het is even buiten Utrecht, of net op de grens. Het doet er niet toe, het had overal kunnen zijn.
Bijvoorbeeld even ten noorden van Lyon, bij het spoor naar België. De weg met die ene lantarenpaal en die ene auto, loopt van een industrieterrein naar een klein dorpje aan de kust.
Kruisingen van (water)wegen. Alle vier de windstreken gaan ze op. Overal en nergens heen. Zo’n kruising is universeel als ‘The crossroads of my life’ in een oude bluessong.
De overgang tussen het platte land en de stedelijke bebouwing wekt altijd mijn interesse als ik met de trein reis. Soms zijn er grote rangeerterreinen en altijd wel een verlaten fabriek, of soms een heel industrieterrein in verval. Het zijn stukjes niemandsland aan de rand van de stad. Nog niet interessant voor projectontwikkelaars, maar een heel terrein vol geheime plekken voor kinderen om te spelen.
Zelf speelde ik als kind regelmatig bij de fabriek. Mijn dorp was zo klein dat de meeste dingen een bepaald lidwoord hadden, zoals ook het kanaal en de telefooncel. De fabriek was een aardappelmeelfabriek, en ik kende alle openingen in het hek en wist de weg door veel van de gebouwen. Ik zag het een beetje als mijn speelterrein.
Als ik nu als volwassene ’s nachts sfeervolle locaties zie, kijk ik altijd nog een beetje met de ogen van een kind.
De nacht verbergt de laatste details, die de locatie kan verraden. Die ene lantarenpaal als middelpunt van z’n eigen universum. Het rustpunt in een roadmovie, met de lantaarn als enige getuige.