
Klik hier voor een vergrotingFotografen worden wel eens mislukte schilders genoemd, ik zie mezelf eerder als een mislukte dichter. Niet dat de fotografie minderwaardig is aan de poëzie. Voor een fotograaf en voor een dichter is het een uitdaging om de schoonheid van de nacht vast te leggen.
Ik ben als fotograaf meer gebonden aan de fysieke werkelijkheid. En een dichter maakt nog geen goed gedicht door alleen de mooie beeldelementen op te sommen.
"De schittering van het lantarenlicht in de herfstbladeren
Eindeloze takken–wirwar tot diep in de zwarte nacht
De dode blaadjes op de werf
Een tafeltje als herinnering aan een warme zomer
De weerspiegeling van de hoogste takken diep onder je
Tijdloos op de auto’s na"
In een gedicht zou een storend element, zoals de auto’s op deze foto, weg te laten zijn, of maken die nieuwe auto’s de omgeving juist ouder?
Hier komt het voordeel van de fotograaf, ik hoef niet op alle vragen een antwoord te hebben. Ik ben onder de indruk en kan niet anders dan proberen het vast te leggen, en roep daarmee de vragen op.
Kan ik met een zwart-witfoto laten zien waarom het zo indrukwekkend is? Moet de aanleiding voor het maken van de foto er ook op? Of was het een briesje, de rust of juist het lawaai dat mij deed afstappen om de foto te nemen?
En als het er op staat, ziet iedereen het wel. Soms wil ik er wel een pijl op tekenen en vertellen waar de kijker moet kijken en hoe lang, of ik bedenk een titel die alles voorkauwt. ‘Zomertafel in tijdloze herfstnacht.’
Een nachtfoto moet niet schreeuwen, die is stil en overtuigend. Hoe langer je blik binnen het kader blijft des te meer zie je diepzwarte diepten en takken, die zich net van de nacht losmaken. Om de poëzie in een foto te zien moet je de tijd nemen, zoals je ook voor een gedicht meer tijd neemt dan dat wat nodig is om de woorden te lezen.