Het is een mooie zondagmiddag in de herfst als ik via het Centraal Museum over de Nicolaasdwarsstraat richting het Ledig Erf fiets. De lucht is blauw met hier en daar een wolk, en de zon staat herfstachtig laag. Het is zo’n dag waarop je de eerste kastanjes gaat rapen, je verwondert over het tijdstip van de zonsondergang en zo’n dag waarop je plotseling in de berm ligt omdat je het onderscheid tussen fietspad en berm niet meer kunt maken – want ook dat is herfst.
Ik stuit, vlak voor de bocht naar rechts richting het Ledig Erf, op een tekst. Op het witte huis lees ik het volgende:
‘het Klaasje had veel noten op zijn zang. Het leek, of ze rond haar hoofd krijgertje deden, het ene oor in en hetzelfde weer uit, of het andere.’
Mooi, om zulke woorden te treffen tijdens mijn fietstochtje. Ik rijd verder en bedenk me dat ik eens moet uitzoeken wie die C.C.S. Crone - de naam die ik lees onder de tekst - nu precies is.
Niet lang daarna zit ik in de collegebanken van het vak Literatuurwetenschappen en hoor ik ineens die naam weer vallen: C.C.S. Crone. We lezen Oranjebitter van deze Utrechtse prozaschrijver, waar de woorden op het witte huis een fragment uit zijn. Geschreven net voor de Tweede Wereldoorlog en uitgegeven in 1940, elf jaar voor zijn dood. Een verhaal over de dood, een onderwerp waar hij meer over schreef. Het gaat over een vrouw aan wie de dood voorbij gaat. Zij staat op de Abstederbrug en hoort ‘het Klaasje’ negen keer slaan. ‘Het Klaasje’ blijkt de Nicolaïkerk.
Het is een volgende mooie zondagmiddag als ik langs het water loop aan de Tolsteegsingel en de klokken hoor luiden.
‘Het Klaasje had veel noten op zijn zang.’
Erica
verZINsels.Com