
Klik hier voor een vergrotingDe generaal staat op z’n balkon en kijkt neer op de binnenplaats. De binnenplaats is eigenlijk meer een tuin. Alleen is het er nog nooit zo druk geweest. De rustige uithoeken van de tuin zijn nu volop in gebruik. Zo blijft de binnenplaats vrij voor de heen en weer lopende soldaten.
Op sommige momenten is het net een mierenhoop. Om daarna weer een vreemde rust uit te stralen. Alsof iedereen in afwachting van een startschot met ingehouden adem langs de kant staat.
De manschappen zitten rond de kampvuren en kleuren oranje door de vuren, hun schaduwen geprojecteerd op de muren van de stallen. De enige boom lijkt gevrijwaard van de bewegende projecties. Bewegingsloos staat hij omringt door de onrust van de dag voor vertrek. Het rumoer van de manschappen lijkt de boom niet te raken.
Het is een vreemde onrust. De uithoeken van de binnenplaats zijn het drukst. Daar zijn de vuren aangelegd, die de onrust lijken te versterken en de onrustigen aantrekken. De mannen zitten rond het vuur en praten, niet met veel volume, of met veel gebaren, zoals ze anders zo graag doen. Ze fluisteren eerder dan dat ze praten. Maar de onrust is te voelen, en zelfs te horen. Niet door de soldaten, maar door de paarden. Je hoort ze hinniken, en briezen. Het lijkt of ze hun hoeven al oefenen voor de reis. Alsof ze weten wat hen te wachten staat.
De generaal weet wat ze te wachten staat. Morgen is de grote dag. De manschappen willen het even nog niet weten, na vannacht wordt alles anders.
Het vuur knettert, verder is het even helemaal stil. De mannen kijken even om zich heen, en tegelijk met de generaal vragen ze zich af: “Waar vinden we ooit weer zo’n tuin?”
De eerste alinea geschreven ter gelegenheid van het afscheid van Sjarel Ex in 2004. Ter gelegenheid van dat afscheid werd hem een balkon aangeboden.