Als jongeren ergens hangen en tot overlast zijn, wordt er een blik straatcoaches opengetrokken, de bankjes waar die jongeren op plegen te zitten, worden verwijderd en als het de spuitgaten uitloopt, worden er wat straatverboden uitgedeeld. De bewoners die dan nog over overlast blijven klagen, worden uitgemaakt voor "notoire klagers". De jongeren, die zich kapot vervelen, blijven een tijdje uit de buurt, maar duiken ergens anders weer op. Het waterbedeffect heet dat. Structureel wordt er niets opgelost, want aan de achterstandssituatie van de betreffende jongeren wordt niets gedaan.
Op 10 mei 2009 kwam Heinz Schiller, directeur van Doenja, er in de Volkskrant eerlijk voor uit: het welzijnswerk helpt geen donder. In een notitie uit juni 2009, die Schiller naderhand schreef om zijn stelling te onderbouwen, betoogt hij eigenlijk dat de achterstand in wijken als Kanaleneiland wordt gereproduceerd door de instituties die in het leven zijn geroepen om de achterstand terug te dringen. De woordenschat van VMBO-leerlingen in Utrecht gaat er bijvoorbeeld gedurende hun schoolloopbaan op achteruit, zo zou uit onderzoek van Oberon zijn gebleken. Ondanks miljoeneninvesteringen, aldus Schiller, verandert er niets aan de achterstand.
Heinz Schiller noemt in het Volkskrantartikel van 10 mei nog een voorbeeld: "Als bijvoorbeeld een groep vrouwen in de wijk een vrouwencentrum wil beginnen, krijgen ze bijna drie ton van het ministerie van VROM uit het potje ‘Ruimte voor Contact’. Maar wat zo’n moeizaam lopend centrum bijdraagt aan de verbetering van de wijk, is de vraag." Hier slaat Schiller de spijker op zijn kop. Want wat was het geval? Het driegeneratiecentrum was inderdaad een initiatief van vrouwen in de wijk, maar de beroepskrachten van Doenja maakten zich er snel meester van. Die drie ton werd door Doenja beheerd en de vrouwen uit de wijk die in het bestuur zaten, kregen geen inzicht in de besteding van het geld. Kortom, die drie ton is opgegaan aan de kosten van beroepskrachten en daar zijn de vrouwen in de wijk geen spat wijzer van geworden.
Recentelijk kwam mij het dossier onder ogen van de problemen met de hangjongeren in De Meern. Wat in dat dossier het meeste opvalt, is in de eerste plaats het indrukwekkende aantal beroepskrachten dat zich ermee bezighoudt: de opbouwwerker, de jongerenwerken, de gebiedsmanager veiligheid, de wijkmanager, de politie, de burgemeester en noem maar op. Wat in de tweede plaats opvalt, is dat al die dure beroepskrachten er met elkaar niet in slagen een eind te maken aan de overlast.
Wat zou een bedrijf als Philips nu doen als het management in een bepaalde vestiging niet deugt? Als er miljoenen in worden gepompt en er treedt geen verbetering op? In een normaal bedrijf wordt dan de conclusie getrokken: de verantwoordelijke beroepskrachten worden ontslagen, omdat ze kennelijk incompetent zijn. Als de wijkmanager wijkservicecentrum, de gebiedsmanager veiligheid, de intern zorgcoordinator en (jongeren)coaching, de manager jeugd- en jongerenwerk, de directeur van het wijkwelzijnswerk, de account-manager Zuwe Welzijn en de burgemeester er al jaren met elkaar niet in slagen het probleem van de jongerenoverlast op te lossen, waarom zegt de gemeenteraad dan niet dat ze kennelijk incompetent zijn en op moeten stappen?
Kees van Oosten