Sinds de invoering van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in 1994 kan de burger een beroep doen op de bestuursrechter als hij het niet eens is met een besluit van de overheid. Voorwaarde is wel dat hij belanghebbend is. Voorbeelden van besluiten waartegen je beroep kunt instellen: een bestemmingsplan, bouwvergunning, milieuvergunning, kapvergunning, verkeersbesluiten, maar ook besluiten waarmee de gemeente een uitkering of een subsidie weigert.
Het idee achter de Awb is dat democratische besluitvorming door een gekozen gemeenteraad niet voldoende garantie biedt dat er rekening wordt gehouden met de belangen van de burger. Voor een handjevol raadsleden is het onmogelijk de talloze besluiten te controleren die door de ambtelijke dienst onder verantwoordelijkheid van de wethouder worden genomen. Vandaar dat de wetgever de burger de mogelijkheid heeft geboden om met een besluit naar de bestuursrechter te lopen als hij het daar niet mee eens is.
De bedoeling van de Awb is dus om aan burgers een stuk rechtsbescherming te bieden. Je hebt er geen dure advocaat voor nodig, je mag zelf beroep instellen en bij de rechter het woord voeren. Het was in 1994 allemaal goed bedoeld, maar in de praktijk valt het lelijk tegen. Het beroep van de burger wordt namelijk doorgaans ongegrond of niet-ontvankelijk verklaard. Ik heb de rechtbank weleens gevraagd bekend te maken hoe vaak de burger in het gelijk wordt gesteld. Daar kreeg ik geen antwoord op. Ik schat de kans dat de burger wint op 5, hooguit 10 procent.
Waarom wordt de burger zo vaak in het ongelijk gesteld? In de eerste plaats stikt het in het bestuursrecht van de spelregels. In het beroepschrift, dat binnen zes weken moet worden ingediend, moeten bijvoorbeeld alle argumenten staan waarmee je het besluit bestrijdt. Bedenk je achteraf of tijdens de zitting nog een argument, dan telt dat niet meer mee. Het griffiegeld moet op tijd betaald zijn, anders kun je het wel vergeten. Wordt het een beetje ingewikkeld, dan moet je een deskundigenrapport overleggen, anders concludeert de rechter dat de burger zijn standpunt niet voldoende heeft onderbouwd. En vaak beslist de bestuursrechter dat je niet echt belanghebbend bent. Als je verder dan 100 meter van een boom woont, word je bijvoorbeeld geacht geen belang te hebben bij het behoud van die boom.
Wat het bestuursrecht vooral zo oneerlijk maakt, is wat men noemt de "marginale toetsing". De rechter kijkt niet of het besluit redelijk is, maar of het besluit niet erg onredelijk is. Dat maakt een groot verschil. De gedachte daarachter is dat het gemeentebestuur een flinke vrijheid moet hebben om belangen naar eigen goeddunken af te wegen. Bijvoorbeeld om het behoud van bomen minder belangrijk te vinden dan auto's. Pas als het gemeentebestuur het al te gortig maakt, grijpt de rechter in, maar dat vindt de bestuursrechter niet gauw.
Maken we de balans op, dan blijkt de rechtbescherming die de Algemene wet bestuursrecht biedt een fopspeen. De Algemene wet bestuursrecht wekt de suggestie dat wij in een rechtsstaat leven, maar de burger die probeert zijn recht te halen, komt er al gauw achter dat hij voor de gek wordt gehouden. De filosoof Marcuse zou het repressieve tolerantie noemen.
Kees van Oosten