In De straf voorbij geeft prof. dr. Hans Boutellier, hoogleraar veiligheid en burgerschap en ex-beleidsmedewerker van Justitie, een somber beeld van de criminaliteitsbestrijding in Nederland. Van de 6 tot 10 miljoen jaarlijkse delicten worden er niet meer dan 1,2 miljoen aangegeven bij de politie. Uiteindelijk volgt in 25.000 gevallen een of andere vrijheidsstraf. Als we uitgaan van 6 miljoen delicten, dan komen we uit op een strafkans van 4 promille, taak- en geldstraffen niet meegerekend. Dat er maar in 20% van de gevallen aangifte wordt gedaan, ligt voor de hand: de burger heeft de ervaring dat dat weinig zin heeft. Wat Boutellier schrijft, wordt bevestigd in Nederland-Duitsland van Tak en Fiselier (2002), waarin zij schrijven dat van de misdrijven waar de politie nog wél werk van maakt, maar 15% wordt opgehelderd, terwijl dat in de Duitse deelstaat Nord-Rhein Westfalen 50% is.
Een interessante vraag is: wat zijn de kosten van de criminaliteitsbestrijding? In het rapport Criminaliteit en rechtshandhaving 2008, blz. 260, wordt dat voorgerekend: 7,5 miljard euro in 2008. In 1995 was dat 'nog maar' 4 miljard euro. In 2008 waren er 16.405.000 inwoners in Nederland. Deel je die 7,5 miljard euro door het aantal inwoners, dan blijkt dat elke inwoner elk jaar 457 euro kwijt is aan criminaliteitsbestrijding. Een gezin met 2 kinderen is dus elk jaar 1828 euro kwijt. Het geringe aantal vrijheidsstraffen (4 promille) doet niet vermoeden dat er 7,5 miljard euro gestoken wordt in de bestrijding van de criminaliteit. Of de politie beter gaat presteren met een paar honderd miljoen euro extra is zeer de vraag.
In de studie Opgelost van Tak en Vroegop (2005) vinden we het begin van een verklaring voor de wanprestatie van de politie. Van de totale politiecapaciteit wordt 7,2% gebruikt voor de opsporing. De politie beschouwt boeven vangen dus duidelijk niet als een kerntaak. Het zou wel eens kunnen dat het publiek daar heel anders over denkt. Booswichten laten zich namelijk door een strafkans van 4 promille niet afschrikken. Een vraag die bij het lezen van deze cijfers opkomt is: wat doet de politie eigenlijk in de rest van haar tijd (92,8%)?
Uit de literatuur krijg je de indruk dat politie, justitie en de overheid zich er allang bij hebben neergelegd dat zij niet in staat zijn de criminaliteit te beteugelen. Criminaliteit, zo schrijft Boutellier in De Straf voorbij, is een vanzelfsprekend onderdeel geworden van ons dagelijks leven. Het is 'part of life'. Vanaf het begin van de jaren zeventig is sprake van een vertienvoudiging van de geregistreerde criminaliteit (het aantal aangiften), schrijft Boutellier. De explosieve groei van criminaliteit, daar moeten we dus maar mee leren leven. Veiligheid als utopie.
Vroegop en Tak (2005) citeren een politieofficier in Amsterdam: "Die misdaad is zo structureel, zo verbonden met het leven dat zich daar afspeelt; die valt eenvoudig niet te bestrijden." Als je dat leest, ga je begrijpen waarom de belangstelling van burgemeesters en politie is verschoven van objectieve veiligheid naar de beleving van veiligheid. Daar valt met wat propaganda en wat blauw op straat nog wat aan te doen. Maar de vraag is of wij 7,5 miljard euro willen uitgeven voor een misplaatst gevoel van veiligheid. De vraag is bovendien of de schamele resultaten van politie en justitie de beknotting van allerlei vrijheden en de beperking van onze privacy rechtvaardigen.
Kees van Oosten