Koude-inval
Column
Gepubliceerd: 2010-11-28
door: Rene Verhulst
Heer Mornond keek tevreden over zijn landerijen. Zo staande in de Donjon kon hij kijken tot waar de bossen begonnen. Dat hoorde als leenman van de keizer allemaal bij hem. Hij had een hekel aan dat woord leenman, in feite was je toch de eigenaar en de baas over de boeren en horigen.
Dat laatste was wel een mooi woord, horigen. Dat hij dan elk jaar penningen moest betalen aan de keizer, dat was niet anders. Maar ja een beetje creatief de productie bijhouden en zijn klerken opleggen niet alles op te schrijven, drukte de opbrengst aanzienlijk. Kijk, je moet het niet verkeerd laten opschrijven natuurlijk, maar niet alles noteren dat is niet fout, dacht hij. Trouwens, hij deed het niet zelf. Hij ‘liet’ het opschrijven. Mocht de keizer het niet vertrouwen dan zou hij naar de klerken wijzen en anders zou hij met zijn natuurlijke overtuigingskracht de keizer nog wel overhalen.
Mornond rilde, het was koud geworden, waarom brandden de vuren nog niet. Hij liep naar zijn woonvertrekken en schreeuwde om zijn bediende. Gorsten, de huisknecht, was er snel. “Waarom brandt het vuur nog niet?”
“Mijn zoon is naar het bos hout halen”, antwoordde Gorsten en boog het hoofd. Mornond was niet de makkelijkste wanneer hij zijn zin niet snel kreeg, had de bediende al lang ondervonden.
“Naar het bos”, zei Mormond met stemverheffing. “Dat duurt uren, dan is het veel te koud. Is er geen voorraad dan?” Gorsten bleef naar de grond kijken. “Zeg op man en kijk me aan.”
“U hebt Deli de houthakker en zijn familie deze zomer het kasteel uitgezet omdat zij volgens u te veel voorraad hadden opgegeven. Er is nu nauwelijks meer wat, alleen de keuken heeft nog een paar stapels en het werd onverwacht koud….”
“Die kou kon je toch zien aankomen, man. Ik weet wat kou is uit mijn vorige functie als generaal in het leger. Dat is waar ook, die stomme houthakker is weg. De boeren hier even verderop, hebben die niks meer dan. Dat haal je toch gewoon weg daar, de bomen zijn van mij.”
Gorsten bedacht zich dat Mormond in het leger alleen met een ganzenveer had geschreven en nooit een zwaard in zijn handen had gehad. “De boeren hebben niet zoveel liggen en hebben ook kleine kinderen, u kent die tochtige huisjes.”
Mormond werd nu paars. “Kinderen, tochtige huisjes, dat ligt allemaal aan ze zelf. Haal onmiddellijk wat bossen hout daar, ik sterf van de kou en heb honger ook.”
Gorsten zei maar niet dat twee boeren gewoon bot geweigerd hadden om te leveren. Mormond weigerde hen te beschermen tegen de roversbende die regelmatig langs trok. Bescherming was het enige dat hij hen moest bieden en zelfs dat liet hij na.
“Ik zal gaan heer”, zei de bediende. Hij pakte wel wat hout bij de kok. “En snel man.’”
Buiten klonk hoefgetrappel. Dat kon niet de zoon van Gorsten zijn. Mormond liep naar beneden en naar buiten. Door de poort kwam een groep ruiters aan met ook een koets. Even dacht Mormond dat er voorraden werden gebracht, maar toen zag hij het keizerlijke vaandel.
Mormond slikte, dat kon alleen maar betekenen dat de keizer er ook bij was. Wat kwam die hier doen, hij had een onheilspellend voorgevoel.
Uit zijn zicht liep Gorsten snel weg. De bediende had enkele dagen tevoren al een paar mannen van de keizer langs gehad. Ze waren ook bij de boeren geweest en bij de houthakker.
Gorsten was een gelovig mens en geloofde in vergiffenis. Maar of Mormond deze keer de dans zou ontspringen.…
René Verhulst
Stuur dit bericht door!
|