Volgens het CBS blijven mensen met een hoge sociaal-economische status gemiddeld 12 jaar langer gezond dan mensen met een lage sociaal-economische status, die bovendien gemiddeld 5 jaar eerder dood gaan. Een van de verklaringen daarvoor is dat mensen met een lage sociaal-economische status in buurten en langs wegen wonen waar ze meer last hebben van luchtverontreiniging en verkeerslawaai. Aldus de literatuurstudie Sociale ongelijkheid en humane biomonitoring van de Universiteit Antwerpen.
Het is al vaak aangetoond dat achtergestelde bevolkingsgroepen veel meer aan milieurisico's worden blootgesteld. Niet alleen socialisten hebben daarop gehamerd, ook wetenschappers van de Human Ecology School (1920 VS), meer recent de Environmental Justice Movement (1980) en de United Church of Christ Commission for Racial Justice (1987) hebben daarop gewezen. Onderzoekers van de Universiteit Antwerpen concluderen op basis van recente onderzoekingen dat er nog steeds sprake is van een grote milieu-onrechtvaardigheid.
Wat deze milieu-onrechtvaardigheid nog eens erger maakt, is dat achtergestelde bevolkingsgroepen, die dus het meest te lijden hebben van milieuvervuiling, daar het minst aan bijdragen. Het gemiddeld autobezit en -gebruik is bijvoorbeeld aanzienlijk minder dan bij welgestelden.
Achtergestelde bevolkingsgroepen wonen dichter bij wegen met veel verkeerslawaai en luchtvervuiling. Verschillende onderzoekers stuiten op een verband tussen maatschappelijke achterstelling en het blootstaan aan fijnstof, koolmonixide, stikstofdioxide en zwaveldioxide. Als je denkt aan straten als de Graadt van Roggenweg, de Amsterdamsestraatweg, de Rooseveltlaan, de woonbuurten op korte afstand van de A12, Waterlinieweg en de Noordelijke Randweg Utrecht, is het niet moeilijk om je daar iets bij voor te stellen.
Het verband tussen maatschappelijke achterstelling en blootstelling aan milieuverontreiniging wordt volgens de onderzoekers uit de volgende factoren verklaard. Goedkope woningen en woningen met lage huren worden gebouwd op goedkope locaties en goedkope locaties liggen daar waar mensen met een goed inkomen niet willen wonen. Mensen met lage inkomens hebben minder mogelijkheden om zich door verhuizing aan ongezonde milieus te onttrekken. Wegverbredingen, drukke wegen en vervuilende bedrijven worden eerder bij achterstandwijken gerealiseerd, ver weg van de wijken van welgestelden. Lagere sociale klassen hebben minder politieke invloed en tellen daarom minder mee. (Waarom doet de GGD Utrecht geen onderzoek naar de prevalentie van astma en longkanker langs drukke wegen?)
De relatie tussen sterfte en luchtvervuiling is bij achtergestelden groter dan bij welgestelden. Verwezen wordt naar een onderzoek van Martins (2004): bij een verhoging van de concentratie fijnstof met 10 microgram/m3 in drie dagen tijd trad een verhoogde sterfte op van 1,4% in de meest welvarende buurt tegen een verhoging van 14,2% in de minst welvarende buurt. De verklaring is dat achtergestelden kwetsbaarder zijn voor luchtvervuiling en andere milieugerelateerde gezondheidschade en dat wordt o.a. toegeschreven aan een slechtere algemene gezondheid: meer hart- en vaatziekten, aandoeningen aan de luchtwegen, hoge bloeddruk en stress. Ook zijn de woningen in achtergestelde buurten vaker vochtig en koud.
Als je de studie Sociale ongelijkheid en humane biomonitoring leest, dringt zich onwillekeurig de vraag op: als onze bestuurders en milieuspecialisten op de Graadt van Roggenweg zouden wonen, of langs de Waterlinieweg, de M.L. Kinglaan, de Amsterdamsestraatweg, de Rooseveltlaan, de A12 of de A27, zouden het verkeerslawaai en de luchtvervuiling in Utrecht dan niet veel effectiever bestreden worden?
Kees van Oosten