Het is mijn gezin gelukt. Na jaren van pure terreur ben ik afgelopen winter schoorvoetend akkoord gegaan met een zomerse vakantie op een Franse camping. De laatste keer dat ik kampeerde was na mijn eindexamen in 1986. Met drie schoolvrienden in Engeland. Toch had die trip met kamperen niet veel van doen. Okay, we sliepen in tenten. Maar die tenten stonden op het landgoed van Engelse vrienden. Sanitair-technisch zaten we geramd. Het was glamperen avant la lettre.
Zelf ben ik sowieso geen vakantieganger. Ik word onrustig als ik op een vooraf bepaald en dus gedwongen tijdstip verplicht ben te genieten van vrije tijd. En, met kleine kinderen heeft vakantie al helemaal niks met vakantie te doen. Zonder kinderdagverblijf of school is het nog veel harder aanpoten als het gewoonlijk al is. En dan de reis. Mijn jongens zijn gewoonlijk na een uurtje sturen al niet meer te harden. Laat staan in een hete auto 2500 kilometer naar een of andere Spaanse costa. Ik heb immer bedankt voor de eer.
In dat verband was een volledig uitgerust huis op het prachtige Schiermonnikoog of op de Kop van Schouwen voor mij nog het meest acceptabel, de laatste jaren. Maar met het mondiger worden van de jongens kon ik niet langer spelbreker zijn. Want zo voelde het toch. Kamperen dus. Maar wel op mijn voorwaarden. Zodoende zit ik nu te schrijven aan een hardhouten picknicktafel op de veranda van een nagelnieuwe houten woonwagen. Met twee goede slaapkamers, een fris toilet, een fijne badkamer met verkwikkende douche en een ruime woonkeuken. De camping zelf heeft meer weg van een aangenaam groen dorpje aan de rand van een schitterend meer dan van een camping. Met al dagen een strak blauwe lucht en 24 graden is het hier wonderwel prima toeven. Dat hele kampeerconcept valt feitelijke reuze mee. De kinderen gaan hun gang, er zijn schoolvriendjes mee, de baguettes zijn de hele dag vers en de mij onbekende Jurawijn smaakt als een goede Meursalt. Maar dan voor kwart van de prijs. Met uw welnemen blijven wij nog even.
Wouter de Heus
Deze column is eerder gepubliceerd in
AD/Utrechts Nieuwsblad en op
WouterdeHeus.nl.