Politiek gaat over keuzes maken, beslissingen nemen. Beslissingen over wat de wenselijke koers is voor het beleid van de overheid. Wat politiek goed gevonden wordt, is niet altijd het meest efficiënte. Overheidsbeleid wordt beoordeeld op effectiviteit, niet op efficiency. Het politiek vastgestelde doel moet bereikt worden, niet zelden ongeacht de kosten. Hoe anders gaat dat in het bedrijfsleven, waar het rendement van de onderneming centraal staat. Het politieke debat gaat over de keuze van beleidsdoelen van beleid en (vooral) om de argumentatie achter die keuze. De juistheid van die keuze vraagt voortdurend om morele oordeelsvorming.
Liberalen houden zich niet graag bezig met moraal. Morele keuzes moet je immers vooral aan mensen zelf over laten, daar is de overheid niet voor en daar zou de politiek zich dus ook het hoofd niet over hoeven breken. Moraal neigt naar bevoogding en daar zijn liberalen niet van gediend. Liberalen zien het liever wat zakelijker. De overheid moet het huishoudboekje op orde hebben en er moet sowieso zo min mogelijk van die overheid zijn. Dus als het efficiënter kan en met minder overheid: graag!
Toch ontkomen ook liberalen in de politiek niet aan morele oordeelsvorming. In de lokale politiek gaat het niet vaak expliciet over dilemma's van goed en kwaad of andere ethische kwesties. De morele oordeelsvorming is meestal vereist voor tamelijk praktische dilemma's. Politieke besluitvorming over kwesties als armoedebeleid leidt vooral tot een debat over de passendheid van maatregelen en het ongemak van de begrenzing van financiële kaders. In het domein van veiligheid en openbare orde leiden onderwerpen als cameratoezicht of preventief fouilleren nog wel eens tot een debat over de ethische zuiverheid van inbreuk op grondrechten van mensen. In het ruimtelijk domein worden de grootste politieke dilemma's gevormd door het aantal bouwlagen (meestal liever een minder dan gepland) en de voorgenomen kap van een boom (meestal kaprijp, soms zelfs ziek). Een enkele keer ligt een vraagstuk voor van wat mooi of lelijk is. Hoewel de beslissingsbevoegdheid daarover is opgedragen aan een comité van deskundigen van de welstandscommissie, ontkomt de politiek soms niet aan een debat over kleur, materiaalgebruik, maat en schaal van bouwwerken in de stad.
Hoe prozaïsch deze kwesties ook mogen lijken, het politieke debat moet wel duidelijk maken waarom een keuze voor of tegen een raadsvoorstel wordt gemaakt. Effectiever, goedkoper, sneller, meer mensen, minder vierkante meters zijn allemaal invoelbare afwegingen, maar het gaat om het waarom. In de kern is het uiteindelijk een normatieve afweging. Een keuze voor iets dat beter, mooier, rechtvaardiger of meer juist dan het alternatief wordt gevonden. Deze morele oordeelvorming is niet alleen voor liberalen een beproeving. Volgens filosoof Alisdair McIntyre is de moderne samenleving haar vermogen tot morele oordeelsvorming verloren. Hij noemt dat een zwaarwegend cultureel verlies. Wie leert er nog wat deugden als matigheid, soberheid of verstandigheid betekenen? Het lijkt soms of alleen bij een groot voetbaltoernooi trots en trouw aan het nationale voetbal elftal een rol spelen. Toch liggen dergelijke morele waarden ook in de lokale politiek dicht onder het oppervlak.
Debatten over bouwhoogte gaan tussen Utrechters die de eigen dakgoot als maat der dingen nemen en Utrechters met een meer stadse oriëntatie. Het is een dilemma tussen eigenheid en fierheid. Trots op de buurt of trots op de stad. Armoedebeleid? Voor wie goed kijkt, ziet dat het debat gaat over solidariteit tussen mensen en gedwongen solidariteit waarvan de afrekening via de belastingaanslag volgt. Het is een dilemma tussen het vermogen van mensen zelf verantwoordelijkheid te nemen in hun leven, inclusief de consequenties van wellicht minder verstandige stappen die ze zelf hebben gezet, en een schier oeverloze empathie met eenieder die een vorm van lijden ondergaat. Mag een liberaal dergelijke morele oordelen vellen? De moraal van dit verhaal? Het zal wel moeten in de politiek.Â
meer